Sint Vincentius a Paulo (1581-1660)

Vincent Depaul werd in 1581 geboren in het dorpje Pouy, in de Landes van Zuidwest Frankrijk; het dorpje draagt thans de naam “Saint-Vincent-de-Paul”. Hij was het derde kind in een gezin van zes; zijn vader had opgemerkt hoe begaafd hij was, en zag voor hem een toekomst als priester. Het priesterschap was toen immers een middel om de sociale ladder op te klimmen; geestelijken genoten een inkomen dat hen voor financiële zorgen vrijwaarde.
Vincent ging dus in Dax studeren aan het “Collège des Cordeliers”, en later aan de universiteit van Toulouse. Hij was een schitterende leerling en werd in 1600 priester gewijd; hij was toen nog geen 20 jaar oud! Na allerlei tegenspoed, werd hij aalmoezenier aan het Hof van Koningin Margot, eerste vrouw van Henri IV. Toen ontmoette hij Pierre de Bérulle, die zijn mentor werd. Later, in 1612, werd hij pastoor te Clichy en in 1613 huisonderwijzer van de kinderen van Philippe Emmanuel de Gondi, Luitenant-Generaal van de Galei, wiens oudste zoon, Paul de Gondi, later kardinaal van Retz is geworden.
Hoe is Vincent Depaul de man geworden die zo’n onmetelijke, alom erkende naastenliefde kreeg voor de armen, de kinderen, de mentaal gehandicapten die in die tijd zo werden veracht ? Niet door meditatie; er deden zich in 1617 een tweetal beslissende gebeurtenissen voor. Op een nacht wordt Vincent geroepen om een stervende man bij te staan, een voorname burger. Deze biecht hem echter zonden op die hij eerder nooit heeft durven opbiechten. Vincent ziet in hem een “arme” man, die zijn hele leven lang nooit het begrip van een priester noch de liefde van God heeft mogen ervaren. Iets later hoort hij van een volledig gezin dat ziek is en in erbarmelijke ellende in een afgezonderd huis verblijft. Dank zij zijn tussenkomst zal heel het dorp solidariteit weten op te brengen. Deze ontmoeting met zowel de morele als de materiële armoede is doorslaggevend. Hetzelfde jaar nog sticht Vincent Depaul, te Châtillon, de eerste “Confréries de la Charité”, waarvoor hij later een regel uitschrijft, waarin zijn respect voor de behoeftigen vervat is. In 1618 ontmoet hij Franciscus van Sales wiens vriend hij wordt en die een grote invloed op hem zal hebben.
Vincent Depaul geeft actie graag voorrang op woorden. “Wij moeten van affectieve liefde overgaan tot effectieve liefde”, zegt hij. Hij is een man van daden. Vincent komt onophoudelijk tussen daar waar ellende heerst, onder meer als gevolg van de dertigjarige oorlog (1618-1648). Onder zijn belangrijkste stichtingen tellen we de “Priesters van de Missie” (de Lazaristen) in 1625; de “Compagnie van de Dochters der Liefde” in 1633, met de hulp van Louise de Marillac; het werk voor de vondelingen; de missie van Algiers, enz. Verder nog de “oeuvres des ordinands et séminaires” (1628) en de “Conférences du mardi” (1633), met als doel de priesters van een degelijke opleiding te voorzien en zo het lage niveau van de geestelijken op het platteland op te trekken. Hij sterft op 27 september 1660 te Parijs; in 1737 wordt hij heilig verklaard. Zijn voorbeeldige naastenliefde is alom erkend. Voltaire verklaarde dikwijls: “Mijn persoonlijke heilige, dat is Vincentius a Paulo”. Vandaag ligt zijn stoffelijk overschot in de kapel van de Lazaristen te Parijs.

Frédéric Ozanam (1813-1853)

Frédéric Ozanam wordt op 23 april 1813 geboren in Milaan. Zijn ouders, Jean-Antoine Ozanam, een arts, en Marie Mantas, zijn beiden afkomstig uit Lyon (de stad van de zijdewevers) waar de volledige familie zich vanaf 1815 ook zal vestigen. “Fred”, zoals zijn vader hem noemt, is het vijfde kind in een gezin van 14; slechts 4 zullen de volwassen leeftijd halen.
In het gezin heerst een warme sfeer; de harde levensomstandigheden worden er met veel genegenheid verzacht.
In 1822 wordt hij leerling van het “Collège Royal” in Lyon waar een liberaal en vrijzinnig klimaat heerst die in de geest van de jongeling twijfel opwekt.
Hij ontmoet er echter Professor Legeay en de priester Noirot, die op hem een sterke invloed hebben en hem in zijn geloof zullen bevestigen. Op aandringen van zijn vader schrijft hij zich in 1831 in op de Faculteit Rechten te Parijs; maar tegelijk volgt hij Letteren. Met een grote fijngevoeligheid, uitmuntend en gecultiveerd, zal hij als “kind van zijn tijd” zeer vlug enthousiast worden voor alles wat mooi, goed en echt is.
In 1831 is Parijs een schitterende, intellectuele hoofdstad waar romantisme overheerst; tegelijk is het een smeltkroes van ellende, met niet minder dan 300.000 behoeftigen. In de arme buurten zijn de smalle straatjes, zonder riool noch goot of voetpad, overbelast met mest en bebouwd met ongezonde huizen. In 1832 breekt cholera uit en sterven er 20.000 inwoners! Daarbij kent de stad bloedige onderdrukking en arbeidersopstanden, die Frédéric Ozanam drie jaar lang meemaakt. Deze toestanden zullen hem diep aangrijpen. Des te meer omdat de jonge student, die het katholieke geloof vurig verdedigt, de verwijten moeilijk kan verwerken die geestelijken en gelovigen te horen krijgen omtrent hun onverschilligheid voor de armen. Op 23 april 1833, op zijn twintigste, sticht Frédéric Ozanam samen met Emmanuel Bailly en vijf andere bevriende studenten de Sint-Vincentius a Paulo vereniging. De medewerking van Zuster Rosalie, Dochter der Liefde, zal een doorslaggevende invloed hebben op de ontwikkeling van deze nieuwe Vereniging.
Nog in 1833 wordt Frédéric Ozanam innig bevriend met Pater Lacordaire, die met uitmuntende welsprekendheid een humaan, liberaal katholicisme predikt dat nauwer bij het evangelie wil aansluiten.
Voor Frédéric Ozanam is de republikeinse leuze “Liberté, Egalité, Fraternité” een moderne vertaling van de geest van het evangelie. Met zijn luciditeit en moed is hij Karl Marx ruim vóór wanneer hij verklaart: “Er is sprake van uitbuiting als de meester de arbeider beschouwt … als een instrument dat zoveel mogelijk moet dienen tegen de laagst mogelijke prijs. Maar uitbuiting van de mens door de mens is slavenhandel…”
En verder: “Er zijn veel mensen die teveel hebben en nog meer willen; maar er zijn er veel meer die niet eens het broodnodige hebben… Tussen deze twee klassen mensen, komt er een strijd…” Hij is overtuigd dat enkel democratie en sociaal katholicisme de samenleving kunnen veranderen zodat de armen beschermd zouden zijn. In 1841 trouwt hij met Amélie Soulacroix. Samen hebben zij een dochter, Marie. In 1846 is hij houder van een leerstoel op de Sorbonne, het hoogtepunt van zijn carrière! Maar de ziekte waar hij aan zou sterven begint te knagen. In 1853 wordt hij stervend naar Pisa teruggebracht en hij overlijdt op 8 september te Marseille. Hij rust vandaag in de kerk “Saint-Joseph des Carmes” te Parijs.